GENERAAL_KRAYENHOFFOp 2 juni 1758 - dus 250 jaar geleden - zag Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff in Nijmegen het levenslicht. Hij was de zoon van een militair ingenieur, Cornelis Johannes (1722 - 1782), en van Clara Johanna de Man (1735 - 1810).Hij bracht zijn jeugd door in Nijmegen. Aangezien zijn prestaties op school te wensen overlieten, ging zijn vader hem bijlessen geven, in eerste aanleg in de exacte vakken, later uitgebreid met aardrijkskunde en geschiedenis, terwijl hij hem ook leerde tekenen. Al spoedig ontwikkelde zich een uitgesproken militaire belangstelling, in het bijzonder voor de vestingbouw, die ook tot uitdrukking kwam in het nabootsen van vestingwerken op een stuk grond dat zijn ouders toebehoorde. Zijn vader was echter allerminst gecharmeerd van een militaire loopbaan omdat hij zelf nogal wat teleurstellende ervaringen als militair had opgedaan. Toen dan ook na de voltooiing van de Latijnse school het moment van de studie- en beroepskeuze was aangebroken, liet de jonge Krayenhoff zich in 1777 bij de juridische faculteit van de Hogeschool te Harderwijk inschrijven. Zijn belangstelling ging echter uit naar andere disciplines. Na een jaar wisselde hij van studierichting en ging hij de colleges filosofie volgen bij Bernard Nieuhoff (1747 - 1831), hoogleraar in de wijsbegeerte en natuur- en sterrenkunde, met wie hij tot diens overlijden in 1831 een hartelijke vriendschap heeft onderhouden. Nadat hij deze studie in 1780 had afgerond, stortte hij zich op de medicijnenstudie die hij in 1784 voltooide. Tussendoor hield hij zich ook nog bezig met natuurkundige onderwerpen, namelijk de elektriciteit van de dampkring, waarover hij een publicatie verzorgde. Gedurende deze studieperiode kwam zijn vader in 1782 onverwacht te overlijden. Hij liet zijn gezin met acht kinderen, van wie de jongste één jaar oud was, in financieel zorgelijke omstandigheden achter. Hierdoor was het twijfelachtig of de jonge Krayenhoff zijn studie zou kunnen afmaken. Maar zijn moeder zag kans met behulp van een lening de toekomst van haar zoon veilig te stellen.

In het jaar van zijn afstuderen vestigde Krayenhoff zich als huisarts in Amsterdam. Zijn praktijk bood hem daarnaast gelegenheid om actief te zijn in een aantal wetenschappelijke genootschappen, waarvoor hij lezingen hield over natuurkundige en geneeskundige onderwerpen. Ook werd hij eind 1784 bij de oprichting van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen als lid aangenomen, een jaar later gevolgd door een benoeming tot lid van het hoofdbestuur. Met deze bemoeiingen en activiteiten toonde Krayenhoff zich een volgeling van de Verlichting dat voor een beoefenaar van de exacte wetenschappen niet vreemd is. Een belangrijke staatkundige stroming, die zich - gevoed door de ideeën van de Verlichting - in de laatste decennia van de achttiende eeuw ontwikkelde, de patriottische beweging (zie "De Patriotten"), vond in Krayenhoff dan ook een sympathisant. Daaraan zal de invloed van zijn Harderwijkse leermeester en vriend Nieuhof, niet vreemd zijn geweest.
Hoewel hij in eerste aanleg als zodanig niet op de voorgrond trad of zich bij een patriottische organisatie aansloot, is hij tijdens de Pruisische inval in 1787 door het Defensiewezen om advies gevraagd over de ter verdediging van Amsterdam getroffen maatregelen. Nadat Krayenhoff zich ter plekke van de situatie op de hoogte had gesteld, bedankte hij - gezien de chaos die hij blijkbaar had aangetroffen - voor de eer.

Na het herstel van het stadhouderlijke gezag onder Pruisische bescherming vluchtten vele patriotten naar Frankrijk. Hun achtergebleven geestverwanten gingen 'ondergronds' en groepeerden zich in onschuldig lijkende leesgezelschappen. Ook Krayenhoff - inmiddels gehuwd - werd daarvan lid, want het was nauwelijks mogelijk géén partij te kiezen. Hij ging echter verder en liet zich meeslepen door gevoelens van verbittering over de vervolging der patriotten. Dit resulteerde in oktober 1794 in betrokkenheid bij het verzamelen van wapens voor een gewelddadige omwenteling. Na de ontdekking daarvan vluchtte hij naar het door de Fransen bezette zuiden van het land. Daar vervoegde hij zich in Nijmegen bij een studiegenoot, de in 1787 naar Frankrijk gevluchte Hattemse advocaat H.W. Daendels (1762 - 1818). Deze was intussen generaal-majoor geworden en commandeerde een brigade van het in Frankrijk gevormde Bataafse Legioen. Krayenhoff trok met de brigade via de Bommelerwaard en Heusden - welke vesting hij als parlementariër namens Daendels opeiste - naar Utrecht. Vanuit het stafkwartier van Daendels werd hij op 18 januari 1795 met een missie naar Amsterdam gezonden om het stadhouderlijke stadsbestuur er toe te bewegen, plaats te maken voor een patriottisch college. Hij slaagde hierin volkomen en nam bovendien het militair commando van de stad op zich. Nadat Franse troepen waren gearriveerd, werd hij door de Franse bevelhebber Pichegru - die het niet passend vond dat in een "veroverde Republiek der Nederlanden" Franse troepen blijvend door een Hollander zouden worden gecommandeerd - door een Franse generaal vervangen. Wel bleef hij bevelhebber van de Garde (schutterij) van Amsterdam.
Krayenhoff vond toen het moment gekomen om zich weer aan zijn medische praktijk te wijden, doch liet zich door het stadsbestuur, Daendels en zelfs Pichegru bewegen om commandant van de Amsterdamse Garde te blijven. Deze aandrang was niet verwonderlijk, want het nieuwe bewind had dringend behoefte aan capabel, voor zijn taak berekend kader. Dit was schaars omdat veel officieren uit het voormalige Staatse leger door het nieuwe regiem werden gewantrouwd wegens hun steun aan de stadhouder.

Op 7 maart 1795 werd Krayenhoff door het voorlopig bewind van Holland benoemd tot luitenant-kolonel bij de generale staf van het Bataafse leger. Dit was het begin van zijn militaire carrière.
In mei werd hij vervolgens benoemd tot adjunct-inspecteur-generaal der Rivieren (belast met het toezicht op de grote rivieren) en adjunct-contrarolleur van de Hollandse fortificatiën. In deze laatste functie werd hij, met terzijdestelling van zijn chef, de sinds 1784 in functie zijnde en daarom van Oranjegezindheid verdachte directeur-generaal A.J. de Bock, verantwoordelijk voor alle op de defensie betrekking hebbende infrastructuur. In juli volgde zijn inlijving als luitenant-kolonel in het Corps Ingenieurs.
Na de aanvaarding van deze functies realiseerde Krayenhoff zich terdege, dat hij dankzij zijn vader wel de nodige theoretische kennis bezat op het gebied van de 'rivierenkunde' en de vestingbouw, doch dat praktische ervaring ontbrak. Hij spande zich daarom extra in om dit door studie in zijn vrije tijd en onafgebroken inspecties van de werken in te halen. Verder constateerde hij dat het toezicht op de grote rivieren werd bemoeilijkt door het gebrek aan gegevens over het verval. Daarom liet hij een begin maken met waterpassingen, die een inzicht zouden geven in het verloop van het waterpeil. Dit had ook een militair nut: het verschafte een inzicht in de mogelijkheden van inundatie.

In de woelige eerste jaren van de Bataafse Republiek was veel in beweging. Nieuwe staatsinstellingen en een daaraan verbonden bestuurlijke organisatie moesten hun vorm krijgen. Bovendien laboreerde de jonge staat aan een richtingenstrijd: de federalisten versus de unitarissen, die na twee staatsgrepen in 1798 eindigde in een confederatie waarin de gewestelijke besturen toch weer grote bevoegdheden kregen. Krayenhoff hield zich verre "van dit verdere verloop der Revolutie". Uit zijn loopbaan blijken echter wel de instabiliteit en de wisselende constellaties. Zijn functie veranderde in verband met wijzigingen in de organisatie enige malen van benaming en inhoud. Op 14 januari 1796 werd hij aangesteld als Directeur der Hollandse Fortificatiën, Defensie- en Artificiële Inundaties. Want ondanks de centralisatietendens bleef in de eerste jaren van de Bataafse Republiek het Departement der Hollandse fortificatiën hiervan gevrijwaard. Pas op 24 maart 1798 deelde de Agent (minister) van Oorlog aan de Directeur-generaal van Fortificatiën H. van Hooff mede, dat het Departement der Hollandse Fortificatiën onder diens algemeen bestuur der fortificatiën van de Bataafse Republiek zou worden gebracht.

In de tussentijd is Krayenhoff ook belast geweest met het bevel over een brigade ingenieurs te velde. Deze was gevormd met het oog op een Bataafse deelname in een Franse expeditie naar Ierland, gepland in het kader van de Eerste Coalitieoorlog (1792 - 1797). De expeditie is "gelukkig" niet doorgegaan.

Inmiddels was er nog een andere, ingrijpende verandering in de loopbaan van Krayenhoff opgetreden. In januari 1798 besloot het Uitvoerend bewind (de regering van de Bataafse Republiek), dat niemand tegelijkertijd twee ambten mocht bekleden. Krayenhoff moest daarom kiezen tussen een waterstaatkundige en een militaire loopbaan. Zijn voorkeur ging uit naar de laatste. Hij bleef echter betrokken bij waterstaatkundige kwesties, onder meer doordat hij zitting kreeg in een aantal op dat gebied werkzame commissies. Ook organiseerde hij voor het Agentschap (ministerie) van Binnenlandse Zaken een bureau voor de Waterstaat. Hij leidde dit gedurende korte tijd maar bedankte voor een benoeming tot chef.

De choro-topografische kaart
Een geheel andere taak die Krayenhoff in oktober 1798 op zich had genomen, was de vervaardiging van een topografische kaart van het gehele grondgebied van de Bataafse Republiek. Door de invoering van een volledig nieuwe bestuurlijke territoriale indeling van het land ontstond hieraan behoefte. Aanvankelijk ging men ervan uit dat de kaart kon worden samengesteld uit het aanwezige kaartmateriaal. Maar al spoedig bleek dat de montage daarvan mislukte als gevolg van een grote verscheidenheid in het basismateriaal (zoals schetskaarten en situatiekaarten) en door meetfouten. Deze verschillen lieten zich niet aan de tekentafel oplossen. Er was een andere methode nodig op basis van een het gehele land bedekkend netwerk van hoge referentiepunten (zoals kerktorens). Met behulp van driehoeksmeting kon de afstand tussen de bakens nauwkeurig worden berekend en daarna worden vergeleken met de topografische gegevens van de bestaande kaarten.
Toen Krayenhoff de opdracht voor dit project kreeg, was hij chef van het bureau Waterstaat van het Agentschap van Binnenlandse zaken. Kort daarna koos hij voor een militaire loopbaan en nam de cartografie mee. Dit was overigens geheel in lijn met Frankrijk, waar de cartografie een militaire aangelegenheid was.

Ook toen Krayenhoff steeds hoger klom in de militaire hiërarchie, bleef hij met ijzeren volharding aan 'zijn' kaart werken. Weliswaar is niet gebleken dat hij persoonlijk enige kaarttekening heeft vervaardigd (behalve misschien een of andere overzichtskaart), maar het net van hoofddriehoeken, met zijden van 30 à 40 km en over het gehele territoir van de staat uitgespreid en het dichtere secundaire net hielden hem de ene zomer na de andere bezig.
Het resultaat werd in gedeelten, waarvan het laatste in 1823, gepubliceerd onder de titel 'Choro-topographische kaart der Noordelijke provinciën van het Koningrijk der Nederlanden', op schaal 1: 115200. De kaart kreeg de nodige kritiek. De tragiek was dat zij al bij verschijning als verouderd werd beschouwd, omdat de opvattingen over wat een topografische kaart behoorde te bevatten niet meer dezelfde waren als in 1799. Haar verdienste was en bleef de goede geodetische grondslag, waardoor zij ook nu nog van betekenis is voor het geografisch historisch onderzoek.

De Brits-Russische landing in Noord-Holland
Tijdens de Tweede Coalitieoorlog (1798 - 1802) voerde een Brits-Russische expeditiemacht in augustus 1799 een landing uit in de kop van Noord-Holland. Krayenhoff werd bij de verdediging hiertegen betrokken als commandant van een brigade ingenieurs te velde, ingedeeld bij de Ie (Bataafse) Divisie van luitenant-generaal H.W. Daendels. Hoewel Krayenhoff op de eerste dag door een geweerkogel in het linker dijbeen werd getroffen, verhinderde dit hem niet om aan de krijgsverrichtingen deel te nemen. Zo kweet hij zich van de hem opgedragen taak, ten noorden van Amsterdam de nodige verdedigingsmaatregelen te treffen. Deze bestonden onder meer uit de aanleg van twee linies dwars door de provincie. Dat dit niet altijd van een leien dakje ging, blijkt uit een brief aan de Municipaliteit van Monnikendam. Deze had verklaard dat zij niet kon voldoen aan de verplichte vordering van arbeidskrachten en verzocht de overste om een gesprek.
De reactie van Krayenhoff typeert hem. Hij schreef:

Durgerdam, 9 September 1799

Aan de Municipaliteit van Monnikendam

Ik kom heden niet naar Monnikendam: heb ook geen tijd te confereren; mijne gedane requisitie moet zonder fout volbragt worden. De gevolgen eener tweede weigering kunnen zeer onaangenaam voor UE. zijn, en hiervoor moet ik UE. verantwoordelijk stellen. Nog éénmaal, de gevraagde manschappen moeten dadelijk geleverd worden!

(Get.) C.R.T. Krayenhoff

De geallieerden werden door een Frans-Bataafs korps onder bevel van de Franse generaal Brune in oktober tot overgave gedwongen en verlieten het land. Krayenhoff kreeg de opdracht toe te zien op de uitvoering van de capitulatievoorwaarden.

Na dit intermezzo hervatte Krayenhoff zijn werkzaamheden als directeur der Hollandse Fortificatiën. Hij verbeterde en voltooide in 1800 de voor afweer van de Brits-Russische aanval provisorisch aangelegde linie van Monnikendam naar Beverwijk. Ook is in dezelfde periode gewerkt aan de Linie Ochten - De Spees en zijn enkele werken van de Grebbelinie verbeterd. In 1805 kreeg hij opdracht tot inrichting van de verdediging van Amsterdam tegen een eventuele Pruisische aanval. Kort daarvoor had hij weer meer bemoeienis met de Waterstaat gekregen door zijn aanstelling tot Inspecteur van het Tweede District, dat de beneden Rijn en Lek, de Waal, de Merwede, de Goudse IJssel, de Killen, de gehele Maas, de Baardwijkse Overlaat, de Oude Maas en het Bergse Veld omvatte. Dit bood hem de mogelijkheid om zijn in 1795 begonnen waterpassingen voort te zetten. Hiervan kwam echter niet veel terecht omdat hij aan zijn militaire taken voorrang gaf.

In koninklijke dienst
Kort daarna brak een belangrijke fase in zijn levensloop aan. Op aandrang van de Franse keizer Napoleon verzocht de regering van de Bataafse Republiek diens broer, Lodewijk Napoleon, koning van ons land te willen worden. En zo deed Lodewijk Napoleon in de zomer van 1806 zijn intrede als koning van Holland.
tn_Landsverdediging_1795-1815De nieuwe koning was zeer gecharmeerd van Krayenhoff, die hij direct tot zijn 'aide-de-camp' benoemde. Ook werd Krayenhoff belast met de leiding van het naar Frans voorbeeld ingestelde Depot (van de archieven van de departementen) voor Oorlog en Marine, waarvan een belangrijke taak de militaire topografie betrof.
Als adjudant van de koning moest hij deze vergezellen op diens reizen en inspecties. Ook volgde hij Lodewijk Napoleon in 1806 op een veldtocht in Pruisen, waaraan een Hollands legerkorps in het kader van het Franse VIII korps onder bevel van maarschalk Mortier deelnam. Teruggekeerd in ons land werd Krayenhoff langdurig ziek, mogelijk ook als gevolg van het vele werk dat hij had verzet. Na zijn herstel hervatte hij zijn taken en vergezelde de koning tijdens inspecties naar door rampen getroffen gebieden. Van zijn betrekkingen bij Waterstaat werd hij ontheven, maar hij kreeg daartegenover de opdracht om de samensmelting van de artillerie en de genie tot één wapen voor te bereiden. Een voornemen waartegen hij overigens bedenkingen had. In het kader van dit project werd Krayenhoff, met twee andere officieren, eind 1807 bevorderd tot generaal-majoor en met hen benoemd tot een der inspecteurs-generaal van de verenigde wapens.
Tijdens dit alles gingen zijn gewone taken door: inspectiereizen en de voorbereiding en uitvoering van verdedigingsplannen. De uitbreiding van de linie ten noorden van Amsterdam tot een de hoofdstad geheel omsluitend stelsel van verdedigingswerken - de 'posten van Krayenhoff' - kreeg haar beslag. Aan de Linie Ochten - De Spees werd verder gewerkt, terwijl de (Oude) Hollandse Waterlinie weer voorrang kreeg boven de Grebbelinie. Deze laatste liet Krayenhoff in 1809 opheffen omdat de noodzakelijke inundaties vaak niet te stellen waren.

In het voorjaar van 1809 overviel Lodewijk Napoleon Krayenhoff met het verzoek minister van Waterstaat te worden. Krayenhoff weigerde dit omdat hij zijn militaire loopbaan wilde voortzetten. Twee maanden later verklaarde de koning dat hij "niets anders wacht dan onderwerping en gehoorzaamheid, zonder de minste tegenkanting": de benoeming tot minister van Oorlog. Krayenhoff moest toen wel zwichten. Zijn ambtsperiode als minister wordt gekenmerkt door twee gebeurtenissen. De eerste was een Engelse landing in juli 1809 op Walcheren. Lodewijk Napoleon was op dat tijdstip in het buitensland en het gros van het Bataafse leger nam deel aan de Franse campagnes in Westfalen en in Spanje. Maar Krayenhoff trof onmiddellijk maatregelen om de aanval tot staan te brengen en met succes. De tweede betrof een steeds hoger oplopend verschil van mening tussen de koning en zijn keizerlijke broer. Krayenhoff steunde zijn koning krachtig maar dit mocht niet baten. Uiteindelijk moest Lodewijk Napoleon op 1 juli 1810 aftreden nadat hij voordien, onder dwang van Napoleon, Krayenhoff als minister van Oorlog had ontslagen.

Generaal van Napoleon tegen wil en dank
Op 9 juli 1810 werd ons land ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Vast besloten de onderdrukker en veroveraar van zijn vaderland niet te dienen, legde Krayenhoff al zijn functies neer. Na zijn zaken te hebben geregeld, ging hij voor een paar dagen naar zijn vriend Nieuhoff in Harderwijk om bij te komen van de vermoeienissen en spanningen. Maar al gauw kreeg hij weer zin om iets om handen te hebben. Hij hervatte zijn geodetische en astronomische werkzaamheden voor 'zijn' kaart dat hem de nodige afleiding bezorgde. Na enkele weken viel zijn afwezigheid de nieuwe militaire bevelhebber in ons land, maarschalk Oudinot, op. Deze liet Krayenhoff ontbieden en verzocht hem, nadat de nodige verwijten waren gemaakt, de eed van trouw op de keizer af te leggen. Krayenhoff weigerde dit omdat hij zich van zijn militaire betrekkingen vervallen veronderstelde, dan wel het recht meende te hebben zijn ontslag aan te bieden. Hij overhandigde vervolgens zijn ontslagaanvrage.
Kort daarop werd hij namens de Tsaar van Rusland benaderd met een aanbod in diens dienst te treden. Hoewel Krayenhoff hiernaar wel oren had, ging hij er niet op in omdat het gevraagde ontslag nog niet was verleend. Krayenhoff vroeg ook de aide-de-camp van Napoleon, luitenant-generaal Bertrand, dit verzoek te willen ondersteunen. Diens antwoord was dat hij er alles aan zou doen om een man met zoveel talenten niet voor het keizerrijk verloren te laten gaan. In plaats van een inwilliging van het ontslag, kreeg Krayenhoff op 21 september 1810 een benoeming tot 'général de brigade' (gelijk gesteld met generaal-majoor) en 'inspecteur-général du génie', zonder overigens een nadere bestemming te krijgen. Daarop verzocht Krayenhoff aan de minister van Oorlog, de hertog van Feltre, om in ons land te mogen blijven om te werken aan zijn geodetische waarnemingen. Dit werd hem toegestaan. Krayenhoff hield echter vol. Nadat hij in april 1811 vernomen had dat verschillende Hollandse officieren en hoofdofficieren een gevraagd eervol ontslag hadden gekregen, diende hij opnieuw een verzoek daartoe in. Ook dit werd niet ingewilligd. Er kunnen meer redenen voor deze weigeringen zijn. Eén daarvan is al door generaal Bertrand genoemd: het is begrijpelijk dat Napoleon een bekwaam en correct officier als Krayenhoff niet wilde missen. Een tweede was mogelijk de beduchtheid dat Krayenhoff in Russische dienst zou treden, een land dat te eniger tijd opnieuw in oorlog met Frankrijk zou kunnen raken.

tn_Napoleon_en_KrayenhoffTijdens een bezoek dat Napoleon in het najaar van 1811 aan ons land bracht had Krayenhoff enkele ontmoetingen met de keizer. Bij een ontvangst aan het hof kreeg Krayenhoff een stroom van verwijten van Napoleon over zich heen, omdat hij Lodewijk Napoleon tegen de keizer zou hebben opgezet. Krayenhoff diende echter ferm van repliek, wat zowel op leden van het gevolg als op Napoleon zelf een positieve indruk maakte. Gedurende hetzelfde keizerlijke bezoek moest Krayenhoff Napoleon vergezellen bij een inspectie van de verdedigingswerken rond Amsterdam en van de vestingen Muiden en Naarden. Tijdens deze rit te paard en de aansluitende bespreking - waar ook de verdediging van ons land in ruimere zin aan de orde kwam - is Krayenhoff er blijkbaar in geslaagd, Napoleon te overtuigen van de effectiviteit van waterlinies. Want hoewel in Naarden voornamelijk over een IJssellinie was gesproken, beslist Napoleon enkele dagen later dat een linie van Naarden naar Gorcum de echte linie van het keizerrijk is.Na het keizerlijk bezoek wordt Krayenhoff uitgenodigd voor de vergaderingen van het Comité der Fortificatiën en van de Raad der Fortificatiën in Parijs. Tijdens zijn verblijf aldaar trachtte Krayenhoff opnieuw ontslag uit Franse dienst te verkrijgen, maar hem werd te verstaan gegeven dat hij dit verder beter achterwege kon laten omdat zo'n verzoek de keizer "ten hoogste mishagen" zou. In mei 1812 keerde Krayenhoff terug naar ons land om waterstaatkundig onderzoek te verrichten, ondermeer ten behoeve van het gebruik van de IJssel als verdedigingslinie. Hij hield zich gedurende de rest van 1812 en in 1813 met deze taak bezig, de winter gebruikende voor het redigeren van zijn waarnemingen.
De gebeurtenissen elders in Europa waren ook van invloed op het leven van Krayenhoff. De terugtocht van het Franse leger uit Rusland en de verloren veldslag bij Leipzig (oktober 1813) leidden het einde van de Franse overheersing van ons land in. Omdat Krayenhoff onder die omstandigheden beschikbaar wilde zijn voor dienst aan het vaderland, schreef hij op 19 november aan Napoleon ontslag te nemen nu het Franse gezag over ons land feitelijk geëindigd was. Hij weigerde verplicht te worden, de wapens op te nemen tegen zijn landgenoten. Niet langer was hij generaal van Napoleon tegen wil en dank.

Het herstel van de onafhankelijkheid
Krayenhoff had het juist voorvoeld: op 23 november 1813 werd hij benaderd om zich te belasten met de zorg voor orde en veiligheid in Amsterdam. Geen sinecure, want er dreigde nog steeds een Franse overval om de stad weer in bezit te nemen. Inlichtingen wezen er op dat er zich nog Fransen in de stad zouden ophouden en dat er wapens in gereedheid werden gehouden. Krayenhoff aanvaardde de uitnodiging en werd door het in Den Haag gevormde voorlopige Algemeen Bestuur tot gouverneur van de hoofdstad benoemd. Hij trof maatregelen om de orde in de stad te handhaven en zocht contact met de geallieerden die het oosten en noorden van het land bereikt hadden. Ondertussen liet hij batterijen opwerpen bij de oostelijke en zuidelijke stadspoorten en bracht hij de werving van vrijwilligers op gang. Een deel van de gerekruteerden bestemde hij voor een blokkade van de vesting Naarden, die nog door de Fransen bezet werd gehouden. De omsingeling duurde tot mei 1814. Herhaaldelijk moesten Franse uitvallen worden afgeweerd. Bij het afslaan van één daarvan ontsnapte Krayenhoff ternauwernood aan krijgsgevangenschap.

Na het herstel van onze onafhankelijkheid, zoals de term in die tijd luidde, was aan de in ons land teruggekeerde zoon van de in 1795 gevluchte stadhouder Willem V de soevereiniteit der Verenigde Nederlanden aangeboden. Deze benoemde Krayenhoff begin 1814 tot commandant van de 1e Militaire territoriale divisie, op 12 maart tot luitenant-generaal en Inspecteur-generaal der Fortificatiën en van het corps Ingenieurs en enkele weken daarna tot die van de Pontonniers en van Mineurs en Sappeurs. Nadat de Fransen alle vestingen in Nederland hadden ontruimd, kon Krayenhoff - in juli ontheven van zijn taken als gouverneur van de hoofdstad en als bevelhebber van de 1e Militaire territoriale divisie - zich volledig aan zijn nieuwe taak op het gebied van het vestingwezen wijden. Hij ging onmiddellijk met de hem kenmerkende voortvarendheid aan de slag. Na inspecties rapporteerde hij de inmiddels tot koning verheven soevereine vorst in memories over de stand van zaken in de verdedigingslinies van ons land en deed hij de nodige voorstellen tot verbetering daarvan. Eén daarvan hield in, de Hollandse Waterlinie oostwaarts te verleggen, zodat de stad Utrecht ook door haar inundaties zou worden beschermd. Dit voorstel werd aanvaard en vervolgens in uitvoering genomen. Andere in de memorie opgenomen voorstellen zijn om financiële redenen nimmer tot uitvoering gekomen. Uit waardering voor zijn verdiensten bij de bevrijding van ons land werd hij in de adelstand verheven, met de titel van baron.

De Wellingtonbarrière
tn_11902_gedjpgNa de val van Napoleon besloten de grote Europese mogendheden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden samen te voegen als buffer tegen eventuele agressieve bedoelingen van Frankrijk. In verband daarmede was een verdedigingslinie langs de zuidgrens van het Verenigd Koninkrijk noodzakelijk. Krayenhoff legde een uitvoerige memorie over dit onderwerp aan de koning voor. Op basis daarvan werd besloten dat negentien vestingen in deze linie zouden worden opgenomen. De vestingen Gent (Citadel), Dendermonde, Luik (Citadel), Hoey (Fort), Charleroi, Bergen (Henegouwen) en Dinant (Fort) werden geheel vernieuwd. Oostende, Nieuwpoort, Ieper, Menen, Doornik, Oudenaarde, Antwerpen, Philippeville, Mariënberg, Bouillon, Namen en Ath werden ingrijpend veranderd of gerestaureerd. Omdat de Britse opperbevelhebber, de hertog van Wellington door de Verbonden Mogendheden was aangewezen "tot het houden van een waakzaam oog over de bevestiging in de Zuidelijke Nederlanden" en in het bijzonder over de juiste besteding van het daarvoor beschikbare bouwfonds ten bedrage van 70 miljoen Nederlandse guldens , is deze linie bekend als de Wellingtonbarrière. Zij is vanaf 1816 gebouwd door Nederlandse genieofficieren. Veelvuldig inspecteerde Krayenhoff deze linie en meestal één maal per jaar samen met Wellington.
Wat de kroon op de vestingbouwkundige activiteiten van Krayenhoff had kunnen zijn - deze Wellingtonbarrière - is een tragisch einde van zijn loopbaan geworden. Dit is veroorzaakt door omvangrijke malversaties die vanaf 1824 waren gebleken bij de bouw van haar werken. De eerste melding betrof het instorten van een nieuw gebouwd bomvrij kruitmagazijn in Ieper. Onderzoek wees uit dat geknoeid was met bestekken en dat genieofficieren zich hadden verrijkt. Ook in Oostende en Menen bleek gefraudeerd te zijn. Tegen negen officieren werd een vervolging ingesteld. Eén van hen, een generaal-majoor, onttrok zich aan een proces door in gevangenschap zelfmoord te plegen. Een luitenant-kolonel kreeg 20 jaar gevangenisstraf, een majoor en een eerste luitenant ieder een half jaar. Een kapitein en een eerste luitenant werden vervallen verklaard van de militaire stand. Drie luitenants werden vrijgesproken, evenals de negende officier: Krayenhoff.
Aanvankelijk als getuige gedagvaard voor het Hoog Militair Gerechtshof, werd Krayenhoff in staat van beschuldiging gesteld. Wegens verzuim en nalatigheid bij het nakijken van begrotingen, contracten en bestekken werd tegen hem twee maanden kamerarrest geëist. Krayenhoff verweerde zich hiertegen met een uitvoerige memorie. Na jaren volgde op 28 april 1830 vrijspraak. Terecht? Het is moeilijk dit vast te stellen want de processtukken zijn bij het bombardement van Den Haag in maart 1945 verbrand. We beschikken dus uitsluitend over de bescheiden van Krayenhoff. Maar met De Groot zijn wij van mening, dat de hoogste gezagsdrager van een dienst altijd de eindverantwoordelijkheid voor het doen en laten van zijn ondergeschikten draagt voor zover deze de dienst betreffen.
Krayenhoff heeft zijn vrijspraak niet meer als actief dienend officier meegemaakt. In 1825 maakte hij een vijf maanden durende reis naar West-Indië om de mogelijkheden te onderzoeken van een uitbouw van de bevestigingen op Curaçao en in Suriname, en naar de aanwezigheid van goud op Aruba. Intussen ging het onderzoek naar de malversaties door. Enkele maanden na zijn terugkeer kreeg hij bericht dat de taken van de inspecteur-generaal der fortificaties waren overgeheveld naar het Departement van Oorlog en dat hijzelf op non-actief was gesteld. Na zijn vrijspraak door het Hoog Militair Gerechtshof is Krayenhoff op 10 mei 1830 gepensioneerd.

Nawoord
Tot zover een levensschets van een bijzonder mens en Nederlander. Levend in een woelige tijd, diende hij verschillende regimes met grote plichtsbetrachting. Met een vreemde, gewelddadige overheersing van ons land krap een halve eeuw achter ons, ligt het voor de hand dat wij geneigd zijn de wisselende loyaliteit van Krayenhoff - en met hem van zeer vele anderen - voor, tijdens en na een andere vreemde overheersing te toetsen aan de normen van nu. Ondanks de parallellen tussen 1795 - 1813 en 1940 - 1945 die een treffende overeenkomst opleveren, zijn er wezenlijke en zelfs zeer principiële verschillen. De Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland mogen Franse vazalstaten zijn geweest, zij waren Nederlandse staten, door Nederlanders bestuurd. Hun ontstaan paste in de lijn van de geestelijke en culturele ontwikkeling van Nederland. De inlijving stuitte op grote geestelijke weerstand, ook bij Krayenhoff die vanaf 1810 voortdurend gepoogd heeft aan zijn verplichtingen jegens Napoleon te ontkomen.

Wat zijn werk aangaat: Krayenhoff heeft ongetwijfeld van jongs af aan graag militair willen zijn. Zijn 'medisch uitstapje' was min of meer afgedwongen. Maar hij was geen officier 'pur sang'. Hij was geen 'vechtjas' als zijn tijdgenoot Chassé. Zijn belangstelling was breder: hij was een mathematicus met een voorkeur voor de toegepaste exacte wetenschappen. Vestingbouw- en waterstaatkunde, cartografie en elektriciteit (in deze volgorde) hielden hem bezig.

Was hij een tweede Coehoorn of Vauban? Neen, zeker niet. Krayenhoffs sterke punt was zijn strategisch inzicht, waardoor hij goed de positionering van verdedigingswerken en (vooral) -linies kon bepalen. Hij was geen bouwmeester die een gedetailleerd ontwerp van een fort maakte. Hij was evenmin bedreven in het voeren van een vestingoorlog: het belegeren en aanvallen, of het verdedigen van vestingwerken. Hierin verschilde hij met Coehoorn en Vauban. Maar hij had met beiden gemeen het strategisch inzicht, een tomeloze werkkracht en ongebreidelde energie. Deze heeft hij zonder enige beperking in het belang van ons land aangewend.

In de jaren daarna heeft Krayenhoff zich bezig gehouden met het schrijven van historische studies en verhandelingen over mathematische en natuurkundige onderwerpen. Hij adviseerde verschillende keren over het plaatsen van bliksemafleiders. Zijn gezondheid liet te wensen over. Hij was enkele malen ziek en kreeg in 1835 een lichte herseninfarct waardoor hij gedeeltelijk verlamd raakte. Ook ging in latere jaren zijn gehoor achteruit. Maar zijn geest bleef tot het einde toe helder. Het overlijden van zijn tweede echtgenote Johanna Schuyt , in 1837 heeft hem erg aangegrepen. Hij schrijft hierover dat zijn krachten dag voor dag afnamen en "zijn grootste geluk hoopt te zullen gelegen zijn in eene spoedige en zachte ontslaping." Op 24 november 1840 overleed Krayenhoff in Nijmegen, als gevolg van een longontsteking. Enkele dagen later is hij in die stad begraven in het naar hem genoemde Fort Krayenhoff.

Bronnen
- Beemt, F.H. van den e.a.[red.] 300 jaar bouwen voor de landsverdediging. Den Haag, 1988.
- Geyl, P. Patriotten en NSB-ers; een historische parallel. Amsterdam, 1946.
- Hoof, J. van. Een harnas voor de hoofdstad: de Stelling van Amsterdam in militair-historisch perspectief in P.Vesters [red.] "De Stelling van Amsterdam; harnas voor de hoofdstad." Utrecht, 2003.
- Krayenhoff, C.R.T. De luitenant generaal baron Krayenhoff voor het Hoog Militair Gerechtshof. Nijmegen, 1830.
- Meygaard, C.H. van. De genie in de Bataafs-Franse tijd; de geschiedenis van het korps Ingenieurs, het korps Pontonniers, het korps Mineurs en Sappeurs. Wezep, 1996.
- Schukking, W.H. De vestingbouw in Nederland in de Bataafse en Franse tijd ter verdediging van ons grondgebied 1795-1815 in: Publikaties van het Genootschap voor Napoleontische studiën Afl. 14. Den Haag, 1963.
- Turksma, L. Wisselend lot in een woelige tijd; Van Hogendorp, Krayenhoff, Chassé en Janssens, generaals in Bataafs-Franse dienst. Westervoort, 2004.
- Tydeman, H.W. Levensbijzonderheden van den luitenant-generaal baron C.R.T Krayenhoff. Nijmegen, 1844.

Auteur: H.J. van Welsen, lid Studiecommissie
Artikel verscheen in Saillant 2008-2