Dit voorjaar is het derde beleidsplan van onze stichting - nu voor de periode 2011-2015 - van de persen gerold. De capaciteit van een vrijwilligersorganisatie is beperkt en ook onze vrijwilligers zien natuurlijk graag eer van hun werk. Dat dwingt ertoe om periodiek na te gaan of wij nog wel de goede dingen doen en of wij die dan ook goed doen. Ook omgevingsfactoren zijn aan verandering onderhevig. Denk aan de informatisering (internet, digitalisering), de decentraliserende overheid en aan economische en toeristische ontwikkelingen. Een beproefde manier om elkaar scherp te houden is het opstellen van een beleidsplan. Daarbij gaat het in het bijzonder om de analyses die daarvoor worden gemaakt. Veel elementen uit eerdere beleidsplannen blijven herkenbaar. Het positieve hiervan is dat de analyses consistent zijn. Maar de schaduwzijde is dat we nog niet in staat zijn gebleken om alle geconstateerde zwakke punten weg te nemen. Dit beleidsplan zal weer basis zijn voor een activiteitenplan. Ieders capaciteiten zijn nodig om de daarin genoemde doelen te bereiken. Op velerlei gebied heeft onze stichting afgelopen tijd successen geboekt en dat smaakt naar meer.

Doel en hoofdtaken
De laatste aanpassing van de statuten dateert van 2000. Het statutaire doel is het bevorderen van de instandhouding en de herkenbaarheid van voormalige verdedigingswerken en de daarbij behorende militair-historische infrastructuur (o.a. linies, stellingen en bouwwerken) in Nederland of daarbuiten; in het laatste geval mits met een Nederlands verleden. Hiermee wil de stichting een bijdrage leveren aan het behoud van het militaircultureel erfgoed en aan het begrip voor historie, kunst en natuur.
In het beleidsplan is dit doel uitgewerkt in zes subdoelstellingen, die op hun beurt leiden tot de hoofdtaken van de stichting:

tn_bourtange 028
Bourtange (foto: J.A. de Vries)

a)  behoud en vermeerdering van kennis van de vestingbouwkunde;
b)  vergroting van het maatschappelijk en politiek draagvlak;
c)  ijveren voor wettelijke bescherming;
d)  streven naar adequaat beheer van de verdedigingswerken;
e)  bevorderen van een passend (her-)gebruik;
f)   zorgen voor continuïteit van de eigen organisatie.
Met de uitoefening van deze taken zijn diverse commissies belast. Op deze website staan deze genoemd met hun samenstelling (zie: organisatie).
Vergeleken met het Beleidsplan 2006-2010 valt op dat de tijdelijke werkverbanden: Commissie Nieuwe Hollandse Waterlinie, Werkgroep Verdedigingswerken in Nederland vanaf 1915 en de Commissie Linies en Stellingen van hun taak zijn ontheven.
Nieuw is de Werkgroep Betonwerken die de correspondenten ondersteunt bij het inventariseren van gewapend betonnen werken van Nederlandse en Duitse makelij. Door explicieter aandacht aan betonnen bouwwerken te schenken hoopt de stichting tevens jongeren meer aan te spreken.
Ook nieuw is de Projectgroep Kraijenhoff. Nu de Nieuwe Hollandse Waterlinie [NHW] in de uitvoeringsfase is beland, is het zaak de opgebouwde deskundigheid binnen de stichting te borgen en ten dienste te stellen van de activiteiten van het Projectbureau NHW en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Voor de verwezenlijking van de doelen zijn de regionale correspondenten heel belangrijk. Juist in tijden van decentralisatie en vereenvoudiging van wettelijke procedures is het zaak dat de stichting, indien nodig, snel en met de goede argumenten in het geweer komt.
Bijzondere medewerkers, die doorgaans op het secretariaat en in het Documentatiecentrum [doccen] werkzaam zijn, staan het dagelijks bestuur bij.

Analyse van sterkten en zwakten
Er is een analyse gemaakt van sterkten en zwakten van de bestaande organisatie.
Als sterke punten komen de volgende naar voren. De stichting heeft goede reputatie vanwege de aanwezige kennis en informatie. Zij beschikt over gemotiveerde medewerkers die doorgaans voldoende vrije tijd hebben. Er is een landelijk netwerk van correspondenten die, met behulp van hun lokaal netwerk, de ´ogen en oren´ zijn van de stichting.
De publicaties van de stichting, de Atlas van historische vestingwerken in Nederland, boeken en (gebundelde) vestingbouwkundige bijdragen, zijn wetenschappelijk verantwoord. De gespecialiseerde bibliotheek heeft unieke tekeningen en kaarten en een collectie historische foto's. De stichting heeft de potentie om een platform te zijn op het gebied van kennisoverdracht, ervaringsuitwisseling en gezamenlijke belangenbehartiging.
De financiële basis is gezond, zodat subsidies niet direct nodig zijn en een onafhankelijke en neutrale positie kan worden ingenomen.

Onderstaande zwakke punten springen in het oog. Bijna alle commissies kampen met een tekort aan menskracht nu de vraag naar informatie en adviezen sterk is toegenomen. Omdat de meeste medewerkers 55-plussers zijn, is er een risico dat vernieuwing en het aansluiten bij jongere generaties niet vanzelfsprekend is. Deskundigheid over de 16e t/m 19e eeuw is volop aanwezig. Expertise over de periodes daarbuiten is een zwak punt; de toenemende belangstelling voor de Romeinse Tijd (Limes) en de Tweede Wereldoorlog bieden kansen en bedreigingen. Inzicht en kennis op archeologisch gebied is onmisbaar voor een betere interpretatie van de vestingbouw en voor verantwoorde restauratieplannen.
Specifieke kennis en ervaring wordt veelal ingebracht door commissieleden die deze hebben opgebouwd op grond van hun opleiding en beroep. Een hieraan gerelateerd gevaar is, dat de onafhankelijkheid als commissielid op gespannen voet kan komen te staan met de loyaliteit jegens hun werkgever respectievelijk hun persoonlijke zakelijke belangen.
Veel actieve vrijwilligers beschikken over unieke gegevens en andere informatie die niet bekend is bij het doccen. Om dit zwakke punt op te heffen dient gestreefd te worden deze informatie ook bekend te doen zijn bij het doccen, opdat deze ook beschikbaar kan komen voor derden. Daarnaast ontbreekt het nog aan een adequate objectendatabase voor het systematisch verzamelen van gegevens over alle nog resterende verdedigingswerken.
Hoewel veel vrijwilligers op hoog wetenschappelijk niveau actief zijn, is er geen directe relatie met wetenschappelijke instellingen, bij voorbeeld op bouwkundig en technisch terrein. De bewaarcondities van de eigen collectie zijn niet optimaal.

tn_fort honswijk 82095
Fort bij Honswijk (foto: collectie MvC)

Externe factoren
De belangstelling voor cultureel erfgoed is de laatste tijd aanzienlijk toegenomen. Bij het militair erfgoed strekt de aandacht zich vooral uit tot onderlinge verbanden als linies en stellingen. Rijk en provincies waren steeds meer bereid geld beschikbaar te stellen voor restauratie en herbestemming. De situatie van de overheidsfinanciën maakt echter voortzetting van deze bereidheid onzeker.
Ook de publieke belangstelling vertoont een stijgende lijn. Er bestaan nu ruim vijftig stichtingen die zich, vaak samen met de betreffende gemeente, inzetten voor een vestingstad of een speciaal verdedigingswerk. Toch wordt onderkend dat op veel plaatsen nog onzorgvuldig met waardevolle relicten wordt omgegaan. Voortdurende waakzaamheid en actieve betrokkenheid blijven dus geboden.
Met het wisselen van de generaties blijken Duitse verdedigingswerken als 'sporen van de oorlog' hun
plaats in de vaderlandse geschiedenis te krijgen.
Ook in het buitenland is de belangstelling voor het militair erfgoed groeiende. In geval van Nederlandse herkomst of betrokkenheid, wil de Nederlandse overheid dit ook stimuleren, o.a. door een accent te leggen op het uitbreiden en verdiepen van de kennis van de verdedigingswerken in het buitenland met een Nederlands verleden. Erfgoed Nederland speelt hierbij voor de Nederlandse overheid een belangrijke rol. Deskundigheid op het gebied van Nederlandse vestingbouw in het buitenland is binnen de stichting aanwezig en wordt geraadpleegd.
Voormalige verdedigingswerken blijken vaak attractief te zijn voor de recreant. Diverse musea en ook het toenemende bezoek aan objecten met een aantrekkelijke flora en fauna tonen dit aan. Vestingsteden benutten hun oude stadsmuren om het toerisme te bevorderen.
Wandel- en fietsroutes, soms met eenvoudige overnachtingplaatsen op en in forten, voeren langs oude linies. De recreatieve waarde van voormalige verdedigingswerken stimuleert de belangstelling ervoor. Indirect wordt zo een bijdrage geleverd aan het behoud ervan.
De informatiemaatschappij heeft grote invloed op maatschappelijke organisaties en op beheerders van collecties. Vanzelfsprekendheid manifesteert een cultuurhistorische stichting zich op het wereldwijde web. Kennis, die aanwezig is bij instanties, wordt digitaal aangesproken; een respons op gestelde vragen wordt zonder meer verwacht. Catalogi van collecties documenten en beelddragers dienen eveneens ‘op afstand’ ten minste digitaal raadpleegbaar te zijn, voor zover de betreffende documenten al niet zelf rechtstreeks opvraagbaar zijn. De nieuwe informatie- en communicatietechnologie daagt onze stichting uit ‘bij de tijd’ te blijven.
De monumentenzorg wordt gewijzigd. De beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg en een wetsvoorstel voor wijziging van de Monumentenwet 1988 zijn onlangs verschenen. De nieuwe sleutelwoorden zijn: integratie en samenwerking. Cultuurhistorische waarden behoren een onlosmakelijk deel uit te maken van steden en landschappen. Dit moet worden bereikt door enerzijds een omgevingsgerichte aanpak in plaats van de objectgerichte benadering en anderzijds door een meer dynamische ruimtelijke ontwikkeling in plaats van een statische conservering. Dit nieuwe beleid rust op drie pijlers: cultuurhistorie laten meewegen in de ruimtelijke ontwikkeling; een krachtiger en eenvoudiger regelgeving (vooral via de Wet ruimtelijke ordening) en het bevorderen van herbestemming. Belanghebbenden kunnen niet langer verzoeken een bouwwerk of terrein als rijksmonument aan te wijzen. Het betekent dat de feitelijke bescherming via de ruimtelijke ordening dient te worden veilig gesteld. Het monumentenbeleid laat schuivende panelen zien; het is een uitdaging hier adequaat op in te spelen.
De algemene tendens bij de rijksoverheid tot decentralisatie heeft consequenties voor het monumentenbeleid en de toedeling van financiële middelen voor behoud en restauratie. Het Rijk is verantwoordelijk voor de rijksmonumenten en voor een adequate kennisinfrastructuur. De provincies hebben een regierol en zijn verantwoordelijk voor de gebiedsgerichte monumentenzorg op provinciaal niveau. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de gebiedsgerichte monumentenzorg op gemeentelijk niveau, voor gemeentelijke monumenten en voor de directe uitvoering van de monumentenzorg, zoals vergunningenbeleid en handhaving.

Beleidsvoornemens
De analyse van de sterkten en zwakten van de bestaande organisatie en de externe factoren leiden tot beleidsvoornemens gekoppeld aan de eerder genoemde hoofdtaken. Hieronder volgen de belangrijkste.
Voor behoud en vermeerdering van kennis van de vestingbouwkunde zal de stichting zich verder ontwikkelen als kenniscentrum op dit gebied. Het samenstellen van een objectendatabase krijgt een hoge prioriteit. Deze moet er komen, wil de stichting haar unieke plaats in ‘vestingland’ kunnen (blijven) innemen. Enkele jaren geleden is daarvoor een objectenregistratiesysteem gebouwd.
Vergroting van het maatschappelijk en politiek draagvlak wordt bereikt door het stimuleren en ondersteunen van lokaal initiatief via kennisoverdracht en ervaringsuitwisseling. De opbouw van kennis op het gebied van de vestingbouw in het algemeen en van de voormalige verdedigingswerken in het bijzonder wordt geïntensiveerd. Publicaties op bovengenoemd terrein worden bevorderd door als stichting daarvoor daadwerkelijk zelf zorg te dragen of door het verlenen van een financiële ondersteuning.

tn_ijmuiden 019
Batterij Heerenduin (foto: J.A. de Vries)

Het zwaartepunt bij de wettelijke bescherming van verdedigingswerken ligt steeds meer in een vroeg stadium van de procedure. Het is van belang dat correspondenten van meet af aan de volledige set aan argumenten op de juridisch juiste wijze inbrengen. De mogelijkheden voor ‘reparatie’ in een latere fase van de juridische procedures zijn weggevallen. Het beleid zal er op gericht moeten zijn dat de correspondenten een goed contact onderhouden met de Monumenten Adviescommissie. Dat is zeker aan de orde indien er van de bezwaar- en beroepsprocedures gebruik gemaakt moet gaan worden.
Een adequaat beheer van de verdedigingswerken wordt nagestreefd door advisering inzake vervolgbestemmingen en hergebruik (‘best practices’). Waar mogelijk, verantwoord en zinvol opteert de stichting voor een recreatief gebruik van de objecten.
Wat betreft de eigen organisatie zal de stichting komen tot een vorm van provinciale vertegenwoordiging. De voorlichting en werving zullen zich richten op jongere generaties, met name de 'jonge vutters' en de jeugdigen in de hoop een 'kweekvijver' en een (toekomstig) breder draagvlak te vormen. In dit verband wordt ook – mede ter ondersteuning van de correspondent - gedacht aan de inzet van begunstigers bij het ‘bewaken’ van een klein gebied.
Tenslotte zal het militaircultureel erfgoed met een Nederlandse herkomst in het buitenland meer aandacht krijgen. Dit voornemen wordt meteen al uitgevoerd. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van de stichting in 2012 zal een symposium aan dit onderwerp worden gewijd.

Bert van den Berg
tweede secretaris

N.B.: Het bovenstaande is een samenvatting; voor de volledige tekst klik hier