De Mens in de Linie (met bijlage ´Bezoek aan het oorlogstoneel´)

Verslag van de fortenoefening in 1881

door Joop Westhoff

In de maand augustus 1881 werd onder leiding van de Kolonel der Genie J.H. Kromhout een oefening gehouden op een aantal forten behorende tot de Nieuwe Hollandse Waterlinie [NHW] rondom Utrecht.

Kaartfragment uit Nederland in zakformaat, vervaardigd onder toezicht van J.H. Kromhout, 1885. – 1. Fort de Gagel, 2. Fort Ruigenhoek, 3. Fort Voordorp, Fort Blaauwkapelle.

Het waren het fort de Gagel en de forten op den Ruigenhoekschen en den Voordorpschen dijk (formulering en spelling zoals in KB nr. 19 dd. 12-05-1881). Aan de militair inhoudelijke betekenis van deze oefening is in 1992 onder auspiciën van onze stichting ruime aandacht gegeven. Minder belangstelling was er voor de beleving door tijdgenoten. Dat moet als een gemis worden beschouwd. Het negeren van de historische context kan tot minder juiste conclusies en beeldvorming leiden. Zich eveneens bewust zijnde van dit verschijnsel merkte, ook in 1992, Harry Lintsen bij zijn aanvaarding van de leerstoel Geschiedenis van de techniek op: “De oorspronkelijke techniekgeschiedenisbeoefening gaf een zuivere technische en gedetailleerde beschrijving van de opeenvolging van producten, machines en installaties. Zij was nauwelijks geïnteresseerd in het opsporen van maatschappelijke samenhangen. Een bezwaar tegen deze aanpak is dat er slechts wordt beschreven, niets wordt verklaard en de neiging tot een technologisch deterministische visie groot is”. In zijn betoog wijst Lintsen het technologisch determinisme af als een gevaarlijke misvatting. Vervolgens postuleert hij de stelling dat de maatschappelijke structuur en cultuur zich weerspiegelt in de techniek en tegelijkertijd dat de techniek mee vorm geeft aan de maatschappelijke verhoudingen, waarden en normen.
Het mag daarom een gelukkig toeval heten dat onlangs een aantal krantenartikelen is gevonden, verschenen ten tijde van de oefening, waarin op een toen niet ongebruikelijke wijze uitvoerig verslag is gedaan van het gebeuren. Onder de titel Bezoek aan het oorlogstoneel bij Utrecht, werd het vanaf 19 augustus 1881 in een aantal afleveringen in Het Nieuws van den Dag geplaatst. (Klik hier voor een transcriptie)
Omdat dit tijdsdocument aangaande verschillende bouwkundige aspecten, en ook ten aanzien van voedingsmiddelen, hygiëne en sociale verhoudingen uitspraken doet, biedt het de gelegenheid de bouw en het gebruik van de betreffende forten in de negentiende eeuw te relateren aan wat in die tijd aanvaardbare (arbeids)omstandigheden werden geacht. Daarom zal in het navolgende het Bezoek aan het Oorlogstoneel bij Utrecht als vertrekpunt worden gebruikt voor een aantal korte thematische beschouwingen over ‘het fort’ als onderdeel van een technisch maatschappelijk systeem. Naast citaten en opmerkingen uit het genoemde krantenverslag is gebruik gemaakt van en verwezen naar literatuur die de toenmalige ‘state of the art’ weergeven.

Wat was er nu zo buitengewoon aan deze fortenoefening. Waarom deze aandacht?
Omdat het toch wel iets bijzonders was. Ook in andere kranten van die tijd werd er enige malen melding van gemaakt. In de eerste plaats was er duidelijk sprake van een novum. Weliswaar waren er in de jaren vijftig van de negentiende eeuw ook al legeronderdelen kort op enige forten gelegerd geweest maar dit was toch de eerste keer dat er getracht werd oorlogsomstandigheden na te spelen. De minister drukte zich zo uit: “… is dit jaar ene groep forten in de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoveel mogelijk overeenkomstig de oorlogstoestand bezet en in staat van verdediging gebracht; waarbij tevens doelmatige oefeningen in de handelingen van de vestingoorlog zijn gehouden…” en vervolgens “Deze oefening – die, op de wijze zoals thans werd bepaald, voor de eerste maal plaats had – geschiedde dit jaar bij wijze van proef…”. Het was een initiatief waarvoor ook in het parlement veel waardering bestond.
Daarnaast was er kritiek. Niet zozeer op het houden van oefeningen als deze, maar op de onduidelijkheid in de legerorganisatie. De Kamer wilde meer greep op de krijgsmacht terwijl de koning en de minister daar weinig voor voelden. Aangedrongen werd op een wettelijke regeling zodat het parlement de regeringsvoornemens ten aanzien van het leger kon toetsen. Omdat aan die wens niet werd tegemoetgekomen hield de Kamer ‘de hand op de knip’. De bewegingsruimte voor de regering werd op die manier aanzienlijk beperkt. De Kamer en Regering hielden elkaar in een soort ‘houdgreep’. Daarbij moet nog worden gevoegd de onvrede over de wijze waarop de dienstplicht werd vervuld.
Het conflict speelde zich niet alleen af, zoals men tegenwoordig zegt, onder de ‘Haagse kaasstolp’. Ook in de pers werd er, veelal anoniem, druk over gepubliceerd. Soms door duidelijk deskundigen maar ook door charlatans. De reportage die het vertrekpunt van deze beschouwing vormt moet onder de eerste categorie worden gerekend. Er wordt, in feite anoniem, op een ludiek/ironische wijze over het gebeuren geschreven waarbij de bijna kinderlijke wijze van formuleren de lezer op een dwaalspoor kan zetten. Toch verwijzen verschillende opmerkingen naar een niet geringe kennis van zaken zowel van het militaire bedrijf als van de politieke context. En mede erop gelet dat deze, in die tijd niet onbelangrijke krant de serie op de voorpagina plaatste, kan het zo zijn dat de hoofdredacteur er zelf de hand in heeft gehad.

Sociale niveau van de fortbemanning
tn_Fort-De-Gagel-100_1228Voor de kennis van het sociale niveau van de fortbemanning is enige bekendheid met de uitvoering van de dienstplicht van belang. Het totaal aan militaire inspanning bestond in die tijd uit een gedeelte miliciens dat daadwerkelijk voor een eerste oefening gedurende betrekkelijk korte tijd onder de wapenen was. Het kader daarvan bestond in hoofdzaak uit een kern van beroepsofficieren en -onderofficieren. Na een bepaalde periode zwaaiden de miliciens af en werden mobilisabel. Daarnaast was er de schutterij. Hoewel de geoefendheid van de schutterij zeer gering was, hadden veel politici sympathie voor dit idee van een volksbewapening. In 1881 werd zelfs een reorganisatie gepland die er in voorzag dat na een aanvankelijk bezetting door miliciens, de forten in de NHW door strijdvaardige afdelingen schutterij moesten worden overgenomen. De auteur van de reportage (de ‘verslaggever’) wist hier kennelijk van. Trouwens hij geeft op diverse plaatsen ook blijk van animositeit tussen voor- en tegenstanders van het toen bestaande dienstplichtsysteem.
Van belang is voorts dat door loting werd bepaald welke mannen voor het vervullen van de dienstplicht in aanmerking kwamen. En vervolgens dat door een systeem van vervanging en nummerwisseling velen zich aan die plicht nog konden onttrekken door, vaak tegen betaling, anderen in hun plaats te laten dienen. Een ieder die het zich maar enigszins kon veroorloven onttrok zich daardoor aan de militaire dienst. Het gevolg was dat het sociaal niveau van de militiesoldaten laag was. Niet voor niets werd gezongen: “Wie zijn vader heeft vermoord en zijn moeder heeft vergeven, die is nog veels te goed voor het soldatenleven”!!! Als wij dus bezien wat tijdens de oefening de beleving van de soldaten was van hun omstandigheden dan dient dat verschijnsel te worden verdisconteerd en te worden beseft dat hun thuissituatie hun houding en beoordeling zal hebben beïnvloed.

Verblijfsaccommodatie
Over de waardering van het verblijf wordt maar weinig opgemerkt. Op de vraag aan de soldaten hoe het ze beviel (regel 72) kreeg de verslaggever in het algemeen gunstige antwoorden. Ook hun nachtleger op “de bekende houten britsen” werd blijkbaar als normaal beschouwd. Toch valt er nog wel iets meer over te zeggen.
Ten tijde van de oefening waren de forten Ruigenhoek en Voordorp nog vrij nieuw (bouwjaar 1867), het fort de Gagel was echter van oudere datum (bouwjaar 1819). Omdat de verslaggever het fort de Gagel niet heeft bezocht (regel 59) blijft dat fort verder buiten beschouwing. Uitgaande van tekeningen uit de tijd van de oefening, kan door meting een indruk worden verkregen van het beschikbare volume aan legeringaccommodatie. Enig rekenwerk – daarbij de beschreven sterkte van de bezetting in aanmerking nemend – wijst uit dat in de legeringruimten per soldaat omstreeks 3,5 m3 beschikbaar was. En er was op voldoende wijze in ventilatie voorzien. De soldaten schenen het wel goed te vinden. Zij waren ook niet veel gewend. Nog in 1892 onderzocht een Staatscommissie de omstandigheden waaronder de arbeidende klasse woonde. In het verslag van die enquête wordt o.a. vermeld: “Vraag: In hoeverre zijn de huizen zeer slecht; Antwoord: Er is geen licht, geen lucht, zij zijn veel te klein”.
Rond het midden van de negentiende eeuw ontstond er echter ook een nieuwe medische discipline en de artsen die zich voor die nieuwe opvattingen inzetten noemden zich hygiënisten. Zij onderzochten arbeidsomstandigheden, woonsituaties, openbare hygiëne e.d., alles om ter preventie van ziekten richtlijnen te geven. Een van de hygiënisten uit die tijd, Cohen, was van mening dat het beroep van krijgsman een ongunstige invloed had op de gezondheid, analyseerde uitvoerig die invloeden en gaf in zijn handboek gedetailleerde voorschriften voor de bouw en inrichting van kazernes. Hij kwam o.a. tot de eis dat in een slaapruimte maximaal 36 personen mochten verblijven en dat die elk over minimaal 7 m3 moesten kunnen beschikken. Daarbij vergeleken was de ruimte op de forten dus maar beperkt. Dat die voorschriften voor forten en kazematten niet waren te handhaven besefte hij ook wel. Hij zei daarover onder meer: “Kazematten zijn de ongezondste vertrekken die ooit door militairen bewoond worden [ … ] Zij mogen daarom in vredestijd nimmer bewoond worden, maar moeten bij droog weer worden gelucht en minstens eenmaal per maand kunstmatig worden verwarmd” (sic!)
Samenvattend lijkt het dat de verblijfsruimten weliswaar niet aan de hooggestemde eisen van de deskundigen (hygiënisten) voldeden maar dat ze, vergeleken met wat de doorsnee soldaat thuis gewend was, toch niet tot gevoelens van onbehagen hadden geleid.

Sanitair en hygiëne
“Om de groep gelegenheid te geven zich behoorlijk te kunnen reinigen, werd in de keelgracht van elk der forten een soort steiger gemaakt, door rietmatten enigszins tegen de wind beschut” (regels 284 e.v.). Omdat ook binnen in de forten waslokalen waren ingericht zal deze voorziening bedoeld zijn geweest om gereedschap en uitrusting schoon te maken. Voor een persoonlijke wasbeurt in de gracht zouden de mannen evenwel ook niet zijn teruggeschrokken. Het is bijvoorbeeld bekend dat in ‘s Hertogenbosch en in vele andere steden in die tijd de arbeidersbevolking voor het doen van de was maar ook zelfs wel om te koken, water uit de sterk vervuilde gracht of rivier haalde.
tn_Fort-Ruigenhoek-100_1229De aandacht die werd gegeven aan de hygiëne en het feit dat er zowel binnen als buiten de gebouwen enige voorzieningen waren getroffen kwam echter wel min of meer tegemoet aan wat invloedrijke hygiënisten bepleitten. Coronel, indertijd de belangrijkste vertegenwoordiger van die discipline, betoogde voor die tijd nogal revolutionair, dat de zorg voor de reinheid een der eerste voorwaarden was tot behoud van de gezondheid van de mens.
Wat betreft de privaten hadden de eisen die zij stelden vooral betrekking op het beperken van de kwalijke geuren. Ook in 1855, bij een inspectie na afloop van een tijdelijke bezetting van het fort Honswijk, was dat al een criterium voor de beoordeling van de privaten. Bij de situering van die voorziening in de forten werd daar dan ook uitdrukkelijk rekening mee gehouden. Naar verluidt hebben de ervaringen op de forten Voordorp en Ruigenhoek in dat opzicht nog tot aanpassingen geleid bij de verbouwing van het fort Honswijk in de jaren zeventig van de negentiende eeuw.
Het gezag van de hygiënisten was overigens beperkt. Bergink wijst er in zijn biografie over Coronel op dat, hoewel de confronterende stellingnames anders zouden doen vermoeden, zij vooral en wellicht uitsluitend door overredingskracht resultaten wisten te bereiken.
Lettend op de toen geldende maatstaven en de stand der wetenschap in aanmerking nemend kan dus worden gesteld dat er op het gebied van sanitair en hygiëne, voorzieningen waren getroffen die naar de eisen van die tijd niet uit de toon vielen. Zoals eerder opgemerkt, klachten waren er dan ook niet.

Eten en drinken
Over het gewone eten is de verslaggever vrij kort en tevreden: ” Behalve het gewone eten, dat zeer goed was, bestond op elk fort een cantine, gehouden door de waschvrouw, waar het een en ander – doch geen sterke drank – was te verkrijgen” (regels 418 e.v.).
Uitvoeriger gaat hij in op de noodrantsoenen: “… de kapitein-intendant, die elke dag de forten van proviand voorzag, met de tijding kwam […] dat er de eerste dagen niets te krijgen was. […] Er moest nu uit de noodvoorraad geput worden, die voor acht dagen tijds op de forten was opgelegd. Die noodvoorraad bestond in hoofdzaak uit spek, geperst vlees in bussen, samengeperste rijstesoep, geconserveerde melk, bruine bonen, groene erwten en enkele andere ingrediënten. In plaats van brood werd een soort scheepsbeschuit verstrekt. De beschuit was nogal hard, doch smaakte geweekt in koffie of soep vrij goed; het andere eten was ook goed.” (regels 444 e.v.).
Toevallig of niet maar de minister besteedde na afloop van de oefening eveneens bijzondere aandacht aan de noodrantsoenen. Hij deelde mee dat hij in 1882 proeven wilde laten doen met betrekking tot het gebruik, het opleggen en het vervoeren van verduurzaamde levensmiddelen. Hij verwachtte veel van de mogelijkheid tot het gebruik van conserven maar had nog wat twijfels over de deugdelijkheid daarvan. De hygiënisten hadden hier ook opvattingen over. Door Cohen werd verwezen naar een toepassing die was gebruikt tijdens de Krimoorlog (1853-1856). Hij doelde op een methode van conserveren die bestond uit het drogen en vervolgens samenpersen van voedingsstoffen tot koekjes en tabletten. Voor gebruik zouden die dan weer in water moeten worden geweekt (de methode Masson). Het is niet bekend of dit idee ook binnen de toenmalige Nederlandse krijgsmacht is uitgeprobeerd.
De auteur van de artikelenserie ging niet in op de voorziening van drinkwater. Zoals eerder vermeld, was in het algemeen de kwaliteit daarvan vooral ten behoeve van de arbeidersbevolking buitengewoon slecht. In de forten werd daarvoor het zakwater uit de bovendekking gebruikt. Het werd in een of meer tanks opgevangen en daaruit gebruikt. Cohen was daar niet negatief over. Wel achtte hij filters noodzakelijk en dan wel in het bijzonder de zand/(dierlijk)koolfilters. Of die filters tijdens de oefening aanwezig en in gebruik waren is niet geheel duidelijk. Wel kan het volgende worden opgemerkt. Op 6 mei 1882 schreef de Eerstaanwezend Ingenieur [EAI] der Genie te Utrecht een brief waaruit blijkt dat op elk fort twee filtreertoestellen aanwezig moesten zijn. Die toestellen zouden in gebruik zijn bij de militaire wachter (de fortwachter). Het waren echter geen zand/koolfilters maar zand/grindfilters. Onbekend is of de toevoeging dat zij in gebruik waren bij de fortwachter betekend heeft dat het drinkwater op het fort zelf ongefilterd werd gebruikt. Die indruk wordt wel gewekt omdat de EAI pas in 1885 een missive rondstuurde waarin hij het gebruik op de forten verplicht stelde.
Ook hier kan worden geconcludeerd dat het eten en drinken naar de toenmalige normen wellicht niet ideaal maar toch niet ongebruikelijk was.

Sociale verhoudingen
tn_Fort-Ruigenhoek-100_1230Bij een gezamenlijke oefening waarbij officieren en minderen dicht opeen verblijven en waar, vooral betreffende de bereiding van eten, moet worden geïmproviseerd zou je een zekere algehele kameraadschap kunnen verwachten. Niets was minder waar. “Door de minderen werd om half een gemiddagmaald – de officieren deden zulks om vijf uur, doch versterkten ook om half een de inwendige mensen – ” (regel 412 e.v.) en voor de minderen was “Sterke drank slechts op gezette tijden in bepaalde hoeveelheden tegen inkoopsprijs te verkrijgen onder toezicht van een officier; op die wijze werd dronkenschap tegengegaan en werden toch niet met geweld allen tot gehele tijdelijke afschaffers gemaakt” (regel 421 e.v.). Ook was de legering van de officieren beter dan die van de soldaten (regel 69 e.v.). De manier waarop officieren aan soldaten refereerden als ‘mannekes’ spreekt verder voor zich.
Dat dit door de verslaggever en de soldaten niet als ongewoon werd ervaren is niet zo verrassend. De samenleving in de negentiende eeuw had een duidelijke ordening. Iedereen kende zijn plaats. Dat gold van hoog tot laag en het werd al bij de opvoeding de kinderen ingeprent. In 1850, na een strenge winter, werd een gedicht van de populaire Hendrik Tollens (de dichter o.a. van ‘Wien Neerlands Bloed door d’Aadren vloeit’) verspreid waarin de goed bedoelde passage voorkomt: “Ons bed is hard! … Maar elk zijn lot! Geniet het uwe; ‘t Komt van God: Geen onzer, die t’ u mag misgunnen.”
En de soldaten behoorden nu eenmaal, anders dan de officieren, tot de klasse van het werkvolk en die omvatte de helft van alle Nederlanders. De indeling van de forten gaf daar blijk van.

Naschrift
Voor de mensen in negentiende eeuw was het een onrustige tijd. Internationaal was er altijd wel ergens oorlogsdreiging. En al werd Nederland na 1839 in Europa gespaard voor een openlijk gewapend conflict, oorlog was toch voor iedereen een wolk aan de horizon. Dat had gevolgen voor het gedrag en de mentaliteit van de bevolking in ons land. Daar kwamen ook nog de kinderziekten van een ontluikende democratie bij. Met een parlement dat een duidelijke positie trachtte te verkrijgen, maar vooral op het gebied van de landsverdediging een uiterst onwillige koning en minister op zijn weg vond. En daarom zijn verzet tegen het gebrek aan invloed in arren moede financieel vertaalde door de minister beperkingen op te leggen, wat als gevolg had dat o.a. deskundige adviezen bij de bouw van de forten niet konden worden opgevolgd. En dit alles terwijl de samenleving in snelle vaart aan het industrialiseren was, gepaard gaande met groeiende sociale verschillen, slechte huisvesting voor de arbeiders en een beroerde volksgezondheid. Voeg daarbij een sfeer met trekjes van cliëntisme en censuur dan komen journalisten ertoe om hun meningen versluierd en zogenaamd ludiek te verwoorden. In dit klimaat, dat spanningsveld werden o.a. de drie forten Gagel, Ruigenhoek en Voordorp gebouwd, gebruikt en besproken. De forten waren integraal onderdeel van dat systeem, in dit geval onderdeel van het technisch maatschappelijk systeem.

Literatuur:
– Joop Westhoff,
Bezoek aan het oorlogstoneel bij Utrecht; klik hier voor transcriptie.
– A.H. Bergink, Samuel Senior, Coronel, zijn betekenis voor de sociale geneeskunde in Nederland, Van Gorcum, Assen, 1960.
– L. Ali Cohen, Handboek der Openbare Gezondheidsregeling en der geneeskundige politie, J.B. Wolters, Groningen, 1872.
– S. Sr. Coronel, De gezondheidsleer toegepast op de fabrieksarbeid, de Erven Loosjes, Haarlem, 1861.
– Henk Leertouwer, Het heil van de gezonden zij onze hoogste wet, Erasmus Publishing, Rotterdam, 2006.
– H.W. Lintsen, Wat is Techniek?, TUe, Eindhoven, 1992. (Oratie t.g.v. het aanvaarden van de leerstoel Geschiedenis van de Techniek).
– M.v.T. bij de Staatsbegroting 1882. Kamerstuk VIII, 2.
– A.J.W. Seyffardt, Ons Krijgswezen in de Staten Generaal, Deel III, Gebr. Van Cleef, ‘s-Gravenhage, 898.
– Hendrik Tollens, ‘Goeden nacht van de armen en de rijken’, in Gezamenlijke dichtwerken X-XII,  Nalezing, Suringar, Leeuwarden 1856-1857.
– Utrechts Archief, Eerstaanwezend Ingenieur der Genie Utrecht, na 1845, Toegangsnummer 469, Inventarisnummer 122.
– Joop Westhoff, Oorlogsdreiging of Politiek spel. De bezetting van het fort Honswijk in 1855, Saillant 2012-1.
Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen, Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw, Bert Bakker, Amsterdam, 2010.

tn_Fort-Voordorp-100_1231